Discussie

Uit de resultaten blijkt dat slechts 20% van de studenten zich beïnvloed voelden door hun ouders bij het studiekeuzeproces. Dit is een relatief klein deel, zeker als je kijkt naar de literatuurstudie die zegt dat ouders vaak een centrale rol spelen bij het maken van in dit proces (Otto, 2000). Opvallend is dat van die 20%, 92,9% aangaf dat ze zich onrechtstreeks beïnvloed voelen. Dit bevestigd ook de literatuurstudie die zegt dat ouderlijke verwachtingen & hun academische achtergrond vaak een subtiele druk uitoefenen op de studenten.

De resultaten tonen ook aan dat 81,5% van de respondenten ouders die beide een diploma hoger onderwijs behaald hebben. Dit zien we ook terug komen in onze literatuur waar we zien dat ouders met een grote academische achtergrond sneller hun verwachtingen gaan uiten, dat het kind moet gaan verder studeren en dat kan ervaren worden als druk. Er is dus een duidelijk verband tussen de opleidingsniveau van de ouders en het ervaren van ouderlijke druk, wat de literatuur ook zegt.

De impact van leeftijdsgenoten & leerkrachten komen in deze enquête minder sterk naar voren. Maar 1,5% gaf aan dat ze zich ‘behoorlijk beïnvloed’ voelden door deze groepen en niemand voelde zich zeer veel beïnvloed, maar daarentegen voelde 66,2% zich helemaal niet beïnvloed. Deze resultaten sluiten niet helemaal aan bij de literatuurstudie, Kracke (2002) stelt dat peers een ondersteunende rol spelen in het studiekeuzeproces, maar we zien in praktijk dat deze invloed eerder beperkt is of niet word ervaren als druk door de jongeren.

En ook de rol van de leerkrachten blijft beperkt. Één derde heeft zelfs nog geen gesprek gehad met een leerkracht. Dit bevestigd de uitspraak dat leerkrachten een informatie bron kunnen zijn, maar dat hun impact wel zeer beperkt blijft.

Hoewel de literatuur wijst op meerdere externe factoren, tonen de resultaten van deze enquête aan dat jongeren deze invloed vaak niet als een echte druk ervaren. Ouderlijke druk wordt als subtiel ervaren en is vooral onrechtstreeks. De invloed van peers & leerkrachten wordt veel minder gevoeld.

Uit de resultaten van de enquête blijkt dat financiële factoren in beperkte mate een rol spelen bij de studiekeuze van studenten. Op de vraag “In welke mate spelen financiële factoren een rol in het maken van je studiekeuze?” antwoordde maar liefst 60% van de respondenten dat financiële overwegingen helemaal geen rol spelen. Slechts 7,7% gaf aan dat financiële factoren een behoorlijk grote rol spelen.

Dit resultaat staat in contrast met het theoretisch kader, waarin financiële omstandigheden als een belangrijke beïnvloedende factor worden beschreven. Mogelijk verklaart dit verschil zich door de samenstelling van de steekproef: de steekproef betaat voornamelijk uit leerlingen van het Sint Gummarus College wat niet echt een represatieve steekproef is, daar zitten mogelijks meer studenten met een hoge sociaal-economische status bij dan met een lage sociaaleconomische status. Studenten uit financieel sterkere milieus ervaren minder financiele druk bij het maken van een studiekeuze, omdat ze zich financieel gesteund door ouders of omgeving.

De studenten waarbij finaciele factoren een grote rol spelen, verduidelijken dat dit vaak om de kost van hun studie gaat (inschrijvingsgeld, kot, vervoer,…) maar ook om de carrieremogelijkheden (toekomstoge salaris). Zo gaf 50% van de studenten aan dat de kost van de studie een bepalende factor is in hun studiekeuze, en 42,3% noemde carrièremogelijkheden.

Dit sluit aan bij de theorie, waarin beschreven staat dat baankansen en financiele zekerheid toch een behoorlijke invloed hebben op studiekeuzes.

Opvallend is ook dat 46,2% van de studenten aangaf misschien te gaan werken tijdens hun studie om financiële redenen, en 21,5% antwoordde hier volmondig ja op.

Dit bevestigt het theoretisch inzicht dat studenten regelmatig werk combineren met hun studie, wat kan leiden tot verhoogde prestatiedruk en verminderde studieresultaten.

Samenvattend kunnen we stellen dat financiële factoren volgens veel studenten geen directe rol spelen bij hun studiekeuze, maar de noodzaak om te werken tijdens de studie, de focus op betaalbaarheid en baankansen, en de keuze voor haalbare opleidingen met werkzekerheid wijzen erop dat financiële overwegingen niet genegeerd kunnen worden. En dat de impact van financiële omstandigheden genuanceerd en persoonsgebonden is.

De meeste mensen, 90,8% van de ondervraagden, maken hun beslissing op basis van hun innerlijke motivatie. Dit houdt in dat zij vooral hun beslissingen nemen op basis van hun eigen interesses en voorkeuren, in plaats van onder druk van buitenaf. Enkel een klein percentage van de studenten, namelijk 9,2 %, stelde dat extrinsieke elementen zoals verwachtingen van de ouders of hun sociale status de belangrijkste redenen zijn.
In de literatuur wordt aangetoond dat intrinsieke motivatie resulteert in verbeterde prestaties, minder angst voor falen en een positiever ervaringsniveau tijdens het studeren. De meeste studenten in de enquête geven aan dat ze hun studiekeuze gebaseerd hebben op hun persoonlijke interesse, wat aantoont dat deze interne motivatie de overhand heeft bij jongeren met een bewuste studiekeuzehouding.

Hoewel de meeste studenten zichzelf beschouwen als “intrinsiek gemotiveerd”, combineren veel studenten dit met baanzekerheid van 36,9 % of overwegingen met betrekking tot status van 21, 5%. Deze mix van motieven duidt op een gemengde motivatie: studenten kiezen een richting die hen aanspreekt, terwijl ze tegelijkertijd praktische aspecten in overweging nemen. Volgens de literatuurstudie was dit de meest effectieve manier om je studiekeuze te maken, wat zeer gunstig is.
De studie van de KU Leuven legt de nadruk op het belang van een goede balans tussen persoonlijke interesse en praktische overwegingen. Studenten die alleen op basis van passie kiezen, kunnen namelijk te maken krijgen met druk om te perfectioneren en prestaties te leveren. De uitkomsten laten zien dat veel studenten op zoek zijn naar deze balans, wat gunstig kan zijn voor hun doorzettingsvermogen en welzijn.

Enkel een klein percentage van de studenten, namelijk 9,2 %, stelde dat extrinsieke elementen zoals verwachtingen van de ouders of hun sociale status de belangrijkste redenen zijn. Deze studenten beschrijven steeds vaker elementen zoals status, een prestigieuze studie en zekerheid over hun toekomst als hun voornaamste motivatie. Dit is in lijn met de literatuur: extrinsieke motivatie vergroot de kans op twijfels, studie-uitval en burn-outklachten. De keuze die voortkomt uit de verwachtingen van ouders wordt nauwelijks aangeduid als 1,5%, waardoor er geen aanzienlijke impact is op de factoren volgens de enquête.

De uitkomsten van onze enquête ondersteunen voor het grootste deel de bevindingen uit de literatuurstudie. De meeste jongeren selecteren hun studierichting op basis van hun intrinsieke motivatie, waarbij hun persoonlijke interesse de overhand heeft. Dit bewijst dat persoonlijke betrokkenheid en nieuwsgierigheid essentiële elementen zijn voor een succesvolle studieloopbaan. Uit de gegevens blijkt echter dat studenten vaak praktische factoren zoals werkmogelijkheden en status in hun keuzes meewegen, maar deze niet als het belangrijkste aspect beschouwen. Een klein aantal deelnemers gaf aan vooral extrinsiek gemotiveerd te zijn, wat overeenkomt met de conclusie dat externe druk vaker resulteert in stress en onzekerheid. Deze enquête onderstreept hoe cruciaal intrinsieke motivatie is en hoe sterk deze invloed heeft op jongeren, en uit de literatuurstudie blijkt dat dit zal bijdragen aan een succesvollere toekomst.

In het laatste deel van de enquête geven veel jongeren aan dat infomomenten, openlesdagen en eigen onderzoek hen het meest helpen bij het maken van een studiekeuze. Daarnaast speelt ook het beeld van een toekomstige job een belangrijke rol. Wat op valt is dat deze jongeren actief op zoek gaan naar informatie en zelfstandig proberen hun keuze te maken.

Deze bevinding sluit aan bij de literatuurstudie, waarin staat dat goede informatievoorziening en begeleiding belangrijk zijn voor een doordachte keuze. Vooral voor jongeren uit gezinnen met een lagere socio-economische status is de rol van leerkrachten als belangrijke figuren , omdat zij toegang bieden tot informatie die thuis niet altijd beschikbaar is. Hoewel de respondenten in de enquête leerkrachten niet als invloedrijk beschouwen in hun keuze, blijkt uit de literatuur dat zij wel  een ondersteunende rol kunnen spelen, zeker wanneer ze leerlingen motiveren om infomomenten en openlesdagen bij te wonen.

Daarnaast wijst de literatuur op het belang van persoonlijke reflectie in het studiekeuzeproces. De enquête bevestigt dat jongeren actief op zoek gaan naar wat bij hen past. Deze zelfreflectie is volgens de KU Leuven nodig voor het vinden van een richting die aansluit bij persoonlijke interesses, talenten en vaardigheden, en dus voor het succes in het hoger onderwijs.

Tot slot toont de onzekerheid bij veel respondenten dat er nog steeds een grote nood is aan begeleiding. De literatuur benadrukt dat gebrek aan juiste begeleiding kan leiden tot verkeerde keuzes, verhoogde prestatiedruk of zelfs studie-uitval.

Het laatste deel van de enquête bevestigt sterk de literatuur: jongeren hebben nood aan toegankelijke informatie, reflectiemomenten en begeleiding. Hoewel ze zichzelf als zelfstandig in hun keuze beschouwen, blijft externe steun zoals infodagen, begeleiding door leerkrachten en inzicht in carrièremogelijkheden van groot belang om tot een bewuste studiekeuze te komen.

  • Ten eerste is de omvang en samenstelling van de steekproef niet representatief , waardoor het moeilijker is om de resultaten te beoordelen. Als de respondenten vooral uit een financieel sterke of homogene groep komen, kan dit het beeld vertekenen.
  • Ten tweede zijn de antwoordopties op sommige vragen vaag en voor interpretatie vatbaar. Termen als “gedeeltelijk” of “behoorlijk veel” zijn subjectief en kunnen per persoon verschillen.